De Savings and Investment Union: To be or not to be in Alden Biesen
Op de informele Europese top in Alden Biesen klonk een duidelijke ambitie: Europa moet dringend zijn industriële concurrentiekracht herstellen. Conditio sine qua non daarvoor is dat we massaal en structureel gaan investeren. Antonio Costa, voorzitter van de Europese Raad herhaalde er eens te meer dat Europa werk moet maken van de verdere integratie van de Europese kapitaalmarkt zodat onze kmo’s, start-ups en groeibedrijven gemakkelijker toegang krijgen tot financiering en onze grote ondernemingen kunnen uitgroeien tot volwaardige Internationale spelers. Europa moet er daartoe in slagen om het enorme spaarvermogen van zijn burgers actiever te mobiliseren. Retailbeleggers moeten mee de motor worden van groei en Europa een dynamischer en levendiger ecosysteem voor investeringen geven.
Het is een mooie Europese ambitie die we met z’n allen enthousiast onderschrijven. Wie ze echter toetst aan de Belgische realiteit, kan niet anders dan vaststellen dat de kloof tussen droom en realiteit nog hemelsbreed is.
Onze Belgische verzekeraars staan klaar om hun rol op te nemen en hun sterke schouders te zetten onder de verwezenlijking van het ecosysteem dat voorzitter Costa voorstelt. Meer nog: ze doen dat vandaag al, zei het binnen de grenzen die de Belgische wetgever hen oplegt. Want daar wringt net het schoentje. Die heeft de voorbije jaren systematisch hindernissen opgeworpen die het mobiliseren van spaargelden afremmen in plaats van te simuleren. Dat is zeer problematisch aangezien verzekeraars net via de tweede, derde en vierde pensioenpijler essentiële hefbomen aanreiken om kapitaal naar onze economie te laten stromen.
In de tweede pensioen pijler beheren verzekeraars om en bij de 95 miljard €. Nochtans moeten we vaststellen dat slechts 8% belegd wordt in tak- 23-producten die zich focussen op aandelen. Dat is geen toeval en geen gebrek aan wil of ambitie. Werkgevers zijn immers wettelijk gebonden aan een rendementsverplichting die momenteel 2,5% bedraagt. Die verplichting stuurt hen naar veilige tak-21 producten met rendementsgarantie.
Ook in de derde pensioenpijler, in België goed voor 29 miljard €, overheerst voorzichtigheid. 91% van de middelen wordt er belegd in de rendementsveilige tak 21, al zien we hier de voorbije jaren een geleidelijke stijging van het aandeel van de tak-23-beleggingen.
Een bijkomende beperking voor de tak-21-beleggingsverzekeringen is en blijft Solvency II. Het is zeer de vraag of de recente herziening van het regelgevend kader de verzekeraars zal aanmoedigen om meer te beleggen in aandelen, rekening houdend met hun rendementsverplichtingen. Rechtstreekse aandelenbeleggingen vertegenwoordigen er slechts 6,1% en de beleggingen in aandelen via beleggingsfondsen zelfs minder dan 3%. De Belgische verzekeraars zien de laatste herziening van de Solvency II richtlijn dan ook als een gemiste kans. De intenties van de Europese Commissie waren goed, maar het effect blijft wellicht te beperkt.
In de vierde pensioenpijler, goed voor om en bij de 78 miljard €, is het beeld anders. Hier wordt 58% belegd in tak- 23- producten. Nogal logisch omdat Solvency II-beperkingen hier niet spelen en er ook geen rendementsverplichting is. Belangrijke vaststelling is evenwel dat deze vierde pijler de voorbije jaren meer dan gehalveerd is als gevolg van het Belgische fiscale beleid. In 2005 beheerde de verzekeringssector nog meer dan 180 miljard € in deze pijler. Die halvering is dus niet toe te schrijven aan een gebrek aan ambitie of interesse bij de verzekeraars, maar aan beleidsbeslissingen. De invoering van de premietaks in 2006, de verhoging ervan tot 2% in 2013, de taks op de effectenrekeningen die verzekeraars treft en die aan de verzekerden wordt doorgerekend, én de meerwaardebelasting: samen hebben ze de fiscale druk structureel opgedreven en het beleggingsproduct almaar onaantrekkelijker gemaakt.
Al deze fiscale en eigenvermogensmaatregelen staan haaks op het Europese discours dat pleit voor harmonisatie, integratie en fiscale stimuli om onze verzekerden over de brug te halen om meer te investeren in de reële economie.
Was het daarom geen toeval dat onze premier in zijn conclusies van de informele top in Alden Biesen met geen woord repte over de noodzakelijke realisatie van de Savings and Investment Union? Als België en Europa echt werk willen maken van een investeringsunie voor de retailbelegger zullen ze kleur moeten bekennen. Zonder consistente keuzes en een aangepast regelgevend kader blijft de Savings and Investment Union een ambitie op papier en een droom die verder dan ooit weg is.