Belastingvrijstelling van levensverzekering

Wie spaar- en beleggingsproducten met voorzorgsproducten wil vergelijken moet wel zo eerlijk zijn om in gelijke mate vermogensbelastingen en vermogenswinstbelastingen aan te rekenen op alle producten. Levensverzekeringen kennen immers een hele reeks taksen en belastingen, zowel op vermogen als op rendement, waarvan je niet inziet waarom zij dan ook niet zouden gelden voor spaarboekjes, termijnrekeningen, kasbons of fondsen. Dat stelt Assuralia, de beroepsvereniging van verzekeringsondernemingen, in reactie op het onwaarschijnlijke betoog van fiscalisten via een artikel in De Standaard.

“Er is hoegenaamd geen sprake van een “belastingvrijstelling” van levensverzekeringen in vergelijking tot spaar- en beleggingsproducten. Verzekerden en verzekeraars dragen honderden miljoenen euro bij aan de overheid via taksen op de premies, belastingen tijdens de opbouw van een kapitaal en heffingen bij de uitkering ervan. Het idee dat verzekeringen vrij van belastingen zouden zijn is een sprookje, en het wekt verbazing dat bij het vergelijken van concurrerende spaarproducten die aspecten over het hoofd gezien of verzwegen worden” merkt Prof. Philippe Colle, gedelegeerd bestuurder van Assuralia, op.

Het standpunt van deze fiscalisten en academici gaat voorbij aan het wezenlijke verschil tussen spaar- en beleggingsproducten die mikken op rendement op korte termijn enerzijds, en voorzorgsproducten anderzijds, die zich richten naar financiële zekerheid voor het gezin en de nakomelingen bij vroegtijdig overlijden of de levensstandaard van de verzekerde zelf beschermen wanneer hij met pensioen gaat. Het financieel veilig stellen van de oude dag, inmiddels een acute nood in het licht van de vergrijzing, kan alleen met zekere producten op langere termijn als pensioensparen, langetermijnsparen en klassieke langlopende levensverzekeringen.

De wetgever heeft dat onderscheid wél heel goed begrepen. Vandaar dat kortlopende levensverzekeringen als spaar- en beleggingsproducten worden behandeld, die onderworpen zijn aan de roerende voorheffing, net als de bankproducten waar zij mee in concurrentie staan. Als je er rekening mee houdt dat zij ook nog een premietaks van 2% (een vermogensbelasting op het ingezette kapitaal), een taks op winstdeelnames en een bijdrage tot het beschermingsfonds kennen, kan je bezwaarlijk van een bevoorrechte situatie spreken.

Levensverzekeringen op lange termijn (de voorzorgsproducten) komen in aanmerking voor fiscale voordelen bij het betalen van de premie, maar dat is dan systematisch op voorwaarde dat de uitkering aan het einde van de rit belast wordt. Het getuigt niet van intellectuele eerlijkheid om dit aspect van het plaatje over het hoofd te zien. Het gaat bovendien om begrensde voordelen, die het mogelijk moeten maken om de kloof tussen het wettelijke pensioen en het laatste loon enigszins te overbruggen met behulp van inkomen dat nota bene al belast werd. De fiscaliteit van deze levensverzekeringen is met andere woorden een verhaal van geven en nemen.

Noteer dat individuele levensverzekeringen van meet af aan belast worden via de premietaks van 2%. Dit is een vermogensbelasting die 154 miljoen euro opbrengt. De jaarlijkse taks op het opgebouwde kapitaal –alweer een vermogensbelasting- en de jaarlijkse taks op de bedragen die als winstdeelname aan de verzekerde worden toegewezen –een vermogenswinstbelasting- brengen nog eens 100 miljoen op. De taxatie op uitkeringen brengt ruim 200 miljoen op. Ten slotte krijgt de levensverzekering de staatswaarborg tot 100.000 euro niet cadeau: de verzekeraars telden er in 2014 157 miljoen voor neer.

De verzekerden haakten af toen de premietaks in 2013 zo goed als verdubbelde tot 2% met als gevolg dat het premie-incasso met maar liefst 32% kelderde. Deze vermogenstaks moet dringend teruggeschroefd worden, zodat de burger opnieuw op lange termijn levensverzekeringsproducten kan rekenen om zijn koopkracht na zijn pensioen te handhaven.